BERGEN OP ZOOM, MERCK TOCH HOE STERCK VERSUS STORY TELLING CITY/ BORGVLIET/ REGIONAAL GRONDBEDRIJF/ REPRESSIEF GEZOND?

| JAARGANG 4 | NUMMER 144 |

| 22-01-2017 | 12.00 uur |


 

| BERGEN OP ZOOM, MERCK TOCH HOE STERCK VERSUS STORY TELLING CITY |

 

Hoe verkoop je je stad? Prachtig dat men komt met een nieuw initiatief om de stad te promoten. Goed dat zaken serieus nu bekeken, geduid en geformuleerd worden. Ook prima dat veel betrokken Bergenaren hiervoor benaderd zijn en gevraagd zijn naar hun visie. Wij kunnen dit alleen maar omarmen.

Alleen wat schets onze verbazing? De uitslag van heel deze exercitie. We krijgen een plan/ideeën voorgeschoteld en of we bij het kruisje willen tekenen. Bergen op Zoom . . . De Storytelling City van Nederland. Prima, maar is dit niet een beetje te veel en te hoog van de toren geblazen en een hoge mate van borstklopperij. Tuurlijk je mag/moet hoog inzetten, je mag jezelf profileren, je mag eens een keer gek doen. Maar deze manier van doen dekt totaal niet de lading van wat Bergen op Zoom feitelijk is. Bergen op Zoom is geen Breda, geen Rotterdam, geen Middelburg en al zeker geen Antwerpen. Dat is een gegeven en daar moeten we mee leven. Maar dat betekent ook dat er kansen liggen. Bergen op Zoom is wel dat leuke stadje aan de Schelde. De meest noordelijke Bourgondische Stad van Zuidwest Europa, de stad met een historisch verleden van heb ik me jou daar. De stad van Stoet en Spel en in dit geval, Sage. De stad met een gemoedelijk Brabantse uitstraling. Kortom daar moet je geweest zijn.

Wat is nu ons grootste verhaal? Juist . Het Merck Toch Hoe Sterck. Het Geuzenlied van Nederland. Nog steeds herkent in geheel Nederland. Wordt jaarlijks nog gezongen in Leiden tijdens het ontzet van Leiden. Een evenement waar duizenden mensen op afkomen.  Maak gebruik van dit gegeven. Dit moet de slogan van Bergen op Zoom zijn en blijven. Hang hier al je ideeën aan op en profileer je met één mond naar buiten. De slogans die we nu hebben zijn veel te omslachtig en niet te rijmen of te onthouden. Dit zijn geen slogans, maar zoals je noemt in marketingtaal Unique Selling Points . Vooruit dan maar. Zet Bergen op Zoom, Merck Toch Hoe Sterck, met deze slogan op de kaart. Zet in op creativiteit, inventiviteit, originaliteit en daadkracht en ja dat hebben we in Bergen op Zoom in hoge mate. Wat je van ver haalt, is niet altijd beter. Zelf doen is mijn credo. Bevorder de betrokkenheid van onze burgers, het is hun stad. 

Hoe is het vergaan met de Stadsstenen destijds? Met veel trompettergeschal binnengehaald, maar samen met zijn marketeer met stille trom vertrokken. Heeft veel geld gekost, maar het effect was niet navenant. Een voorbeeld van hoe het niet moet. Een logo/beeldmerk/branding en/of slogan moet zeker 10 jaar mee kunnen gaan en geen waan van de dag, lees: modegril,  zijn. Laten we niet verzuipen in de grappen en grollen van misplaatste marketing taal, maar onze mooie stad duidelijk en helder wegzetten. En ja, durf daarin ook creatief te zijn en niet elke keer het begaanbare pad kiezen. Een update om de zoveel tijd is zeker nodig. Verhelder je identiteit, wie je bent, waar je vandaan komt en waar je na toe wilt. Pak burgers hun identiteit niet af. We zijn wie we zijn: Bergen op Zoom . . . Merck Toch Hoe Sterck. 

Peet Bakx

 


 

| BORGVLIET |

 

Afgelopen week was er een studie bijeenkomst voor de gemeenteraad over de jeugdzorg en in de commissie Burger en Bestuur een discussie over de overlast door jeugdigen in de wijk Borgvliet. Voor mij hebben beide gespreksonderwerpen een relatie met elkaar.

Van overlast in Borgvliet door jeugdigen is al langere tijd sprake. Na de incidenten in 2016 en de stevige overlast en vernielingen rond de jaarwisseling was er alle reden om daar in de commissie eens goed over te praten. Alle partijen vonden dat de daders stevig moeten worden aangepakt en verantwoordelijk moeten worden gesteld voor hun daden en de kosten van vernielingen en toegebrachte schades moeten worden verhaald op de daders of hun ouders. Nu is een aanpak van minderjarigen niet zo eenvoudig. Maar het kan wel. Eerder schreef ik over hoe mijn eigen ‘wandaden’ als minderjarige werden aangepakt. Strafwerk schrijven op het politiebureau, desnoods op bijna alle naschoolse uren. Ik werd met mijn neus op de feiten gedrukt en ik was van de straat. Nu is daar de jeugdzorg voor die via ‘de voordeur, achterdeur of desnoods het dakraam’ naar binnen moet om ouders of opvoeders tot de juiste aanpak te brengen om de schoffies tot inkeer te brengen en uiteindelijk tot brave burgers te laten opgroeien. In het debat bleek duidelijk dat alle partijen en het college onderschrijven dat er een tekort is/was aan preventie en aan handhavers. Ook ik denk dat dit juist is. Maar er is meer. Met name op het vlak van preventie is de inzet van jeugdzorg een vereiste. Wat bleek mij tijdens de eerder gememoreerde bijeenkomst over de jeugdzorg? Dat slechts één van de twintig ‘jeugd professionals’ in dienst van de gemeente, die dus ingezet worden bij die preventietaak, een man is. Nu denk ik zelf geen seksist te zijn, maar constaterende dat circa de helft van de eventuele gesprekspartners (ouders/opvoeders) man is en de daders zelfs overwegend jongens zijn, denk ik dat het goed zou zijn als de man/vrouw verhouding bij de ‘jeugd professionals’ aanzienlijk zou veranderen. Ooit bedreef ik als jochie, zoals zovele mannelijke schoffies  ‘wandaden’ waar ingrijpen noodzakelijk was. Dat gebeurde toen voornamelijk door mannen, die ooit ook niet zo braaf waren geweest. Dat leverde inlevingsvermogen op en ervaring met welke aanpak werkte. Ik denk dat vrouwelijke empathie belangrijk is, maar soms is het ook nodig dat in het overleg met ouders/opvoeders ook een man aanwezig kan zijn bij de aanpak van de schoffies van deze tijd. Gezien de verschillende achtergronden van de ‘daders’ kan de mogelijkheid te kiezen voor een man en/ of vrouw bij het komen achter de voordeur van belang zijn. Borgvliet en de daders verdienen onze bestuurlijke aandacht en inzet!

Louis van der Kallen

 


 

| REGIONAAL GRONDBEDRIJF |

 

Vorige week las ik een kort artikel in BN-De Stem, waarin de voorman van de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging (BZW) uitspraken deed over samenwerking van gemeenten in onze regio. De ‘liefde’  tussen Roosendaal en Bergen op Zoom is behoorlijk bekoeld, zo beweerde Carel-Jan Reuver, voorzitter van de Roosendaalse afdeling van de BZW. Hij vindt dat er best samen gewerkt  wordt op gemeentelijk niveau in West-Brabant, maar het kan volgens hem echt nog beter.

Er wordt inderdaad samengewerkt tussen de gemeenten in de regio en er wordt hard gewerkt om de samenwerking tussen Bergen op Zoom en Roosendaal in de ‘Netwerk-Stad’ inhoud te geven. Een belangrijk item dat hierbij aan de orde komt is de sociaal-economische ontwikkelingen in de toekomst, meer speciaal de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt. Onderdeel daarvan is het beleid met betrekking tot het stimuleren en binnenhalen van nieuwe bedrijven voor de regio. Het REWIN vervult hierin reeds een aantal jaren een belangrijke rol. Zij tracht de aandacht van potentieel aan te trekken bedrijven op onze regio te vestigen. Toch is het voor mij niet altijd duidelijk wat er achter de schermen bij dit instituut, eigendom van de 18 aangesloten gemeenten in onze regio, allemaal gebeurt. Er zal een heleboel zinvol werk verzet worden om bedrijvigheid aan te trekken. Daar twijfel ik niet aan. Tegelijk heb ik de indruk dat er nog te veel concurrentie bestaat tussen gemeenten onderling in de regio om grote en minder grote ‘vissen’ binnen te halen, terwijl de arbeidsmarkt zich toch niet laat beperken door gemeentegrenzen. Anders gezegd: (nieuwe) werkgelegenheid, waar ook in de regio, komt alle inwoners van de gemeenten in de regio ten goede. In een regio met een gezamenlijke strategische agenda moet voorkomen worden dat bedrijven met extra incentives of concurrerende (te) lage grondprijzen verleid worden zich bij voorbaat in bepaalde gemeenten te vestigen. Natuurlijk het blijft de keuze van de bedrijven zelf waar ze zich willen vestigen, maar als we er gezamenlijk de schouders onder willen zetten en in gezamenlijkheid de faciliteiten hiervoor willen inzetten, dan dient te worden uit gegaan van een regionaal aanbod van bedrijventerreinen en de specifiek daaraan gekoppelde (extra) faciliteiten. 

De eerlijkheid gebiedt mij te wijzen op de doorontwikkeling die momenteel plaatsvindt bij het REWIN naar een REWIN 2.0, met plaats en ruimte voor innovatie, clustervorming van sectoren en het zoeken naar oplossingen en stimuleren van nieuwe ideeën  rondom bepaalde thema’s. De hartenkreet van de BZW vond ik daarom dermate interessant en prikkelend dat ik met een aantal bestuurders in onze regio contact heb gezocht om af te tasten of er draagvlak gecreëerd zou kunnen worden om te komen tot een ‘Regionaal Grondbedrijf’, een organisatie waar alle gemeenten hun (toekomstige) hectaren bedrijfsterreinen inbrengen. Vooraf zal er op basis van een multi-criteria-benadering aan elke hectare een waarde worden toegekend. Criteria daarbij zouden kunnen zijn multi-modale ontsluitingen, de beschikbaarheid van geschikt arbeidspotentieel, de ligging van het bedrijventerrein aan water, spoorweginfrastructuur en/ of snelwegen, de aanwezigheid van geschikte opleidingsmogelijkheden. Vanuit het Regionaal Grondbedrijf kunnen dan vanuit de regio potentiële belangstellende bedrijven een aanbod van bedrijfsruimten gedaan worden. Basis hiervoor dient te zijn een hieraan vooraf door belangstellenden en potentieel te vestigen bedrijven aangedragen wensprofiel. Het regionaal grondbedrijf zal bij haar aanbieding(en), trachten hier een juist en passend antwoord te geven. Bij een te kiezen rechtspersoon voor deze organisatie pleit ik voor een tripartite samenstelling (ondernemers, onderwijs en lokale overheid) van het bevoegd gezag in een NV-vorm. Hiermee wordt aan de voorkant de noodzakelijke samenwerking tussen deze drie partijen benadrukt. Ik ben benieuwd hoe de participanten in onze regio hierover denken. Ik zal in ieder geval voorstellen om dit op de agenda van de eerstkomende vergadering van De NetwerkStad te plaatsen.

Piet van den Kieboom

 


 

| REPRESSIEF GEZOND? |

 

Jaarlijks ontvangt de gemeente van de provincie een reactie op de gemeentelijke begroting waarin de provincie aankondigt wat het toezichtregime zal zijn op de gemeente Bergen op Zoom. Voor 2017 zal dat toezicht repressief zijn. Dat is de zwakste graad van toezicht. De gemeente concludeert dan: “dat er sprake is van een financieel gezonde situatie”. Dat lijkt mij voorbarig!

Een begroting moet dan volgens de regels: structureel en reëel in evenwicht zijn. Dat is naar het oordeel van de provincie echter niet het geval. De provincie constateert dat er een structureel tekort is van 1.748.800 euro. Dat is fors. Nu is er op de reken/begrotings- methode van de provincie het nodige af te dingen. Dat doet het college dan ook in een brief aan de gemeenteraad. In juridische termen kan ik de uitleg van het college grotendeels wel volgen. Dat wil echter niet zeggen dat, als je de meerjarenbegroting in financiële termen bekijkt, deze dan werkelijk gezond te noemen is. Deels snijden de opmerkingen van de provincie, financieel gezien, wel degelijk hout. Kijkend naar het laatste overzicht van de toenmalige gemeentelijke accountant (Deloitte) , dan kom ik echt niet tot de conclusie dat de gemeentelijke financiële situatie gezond zou zijn. In de door Deloitte gemaakte samenvatting “financiële positie gemeente Bergen op Zoom 2015” vallen een aantal dingen op:

  • Lasten van investeringen nog te dekken in de toekomst (per inwoner): in 2014: 2.628 euro, in 2015: 3.288 euro, terwijl het landelijk gemiddelde op 1.496 euro ligt. In 2015 ondanks alle mooie verhalen een stevige verslechtering.
  • Percentage investeringen gefinancierd met schulden: in 2014: 72 %, in 2015: 78 %, terwijl het landelijk gemiddelde op 36 % ligt. In 2015 dus weer een stevige verslechtering.
  • De reserves (per inwoner): in 2014: 721 euro, in 2015: 645 euro, terwijl het landelijk gemiddelde op 1.727 euro ligt. In 2015 dus weer een stevige verslechtering.
  • De reserves en voorzieningen (per inwoner): in 2014: 934 euro, in 2015: 868 euro, terwijl het landelijk gemiddelde op 2.049 euro ligt. In 2015 dus weer een stevige verslechtering.
  • Netto schulden (per inwoner): in 2014: 3369 euro, in 2015: 3398 euro, terwijl het landelijk gemiddelde op 1.917 euro ligt. In 2015 dus weer een verdere verslechtering. 

De financiële situatie gezond? Ik denk het niet. De BSD fractie is zich er van bewust dat de afgelopen jaren de financiële situatie door dit college wel meer inzichtelijk is gemaakt. Maar gezond is deze nog lang niet. Voordat we op voornoemde kerngetallen in de buurt kunnen komen van de landelijke gemiddelden, zijn we misschien wel 15 of 20 jaar verder. En dan moet er meer gebeuren dan nu. Dat is voor politici en burgers niet leuk. Maar als Bergen op Zoom zich werkelijk financieel gezond wil gaan noemen, is dat wel nodig. Nu is het beleid nog steeds: doen alsof er niets aan de hand is, nu genieten en laat toekomstige generaties van burgers, bedrijven en politici het maar betalen. De BSD is voor een beleid dat meer oog heeft voor de langere termijn. Ja. Dat betekent nu met minder doen dan andere gemeenten. Dat is de prijs die ook de kiezers uiteindelijk moeten betalen voor hun slechte keuzen in het verleden.

Louis van der Kallen

 


 

| BEANTWOORDE BRIEVEN |

 

08-11
EX ART. 39 VRAGEN, AANBESTEDING WIJKACCOMODATIES, KENMERK PVDK/16041

ANTWOORD, KENMERK U16-061083

 


27-12
VRAAG EX ART. 39, LEEGSTANDSVERORDENING, KENMERK LVDK/16046

ANTWOORD, KENMERK U17-000058